Vier misverstanden over gymzalen

Dit artikel werd geschreven door Berry ten Pas, co-founder/directeur van De Beweegbox.

U kent ze wel, de gymzalen in de wijk. Vaak bij de basisschool. En als u binnenkomt in de gymzaal herkent u de inrichting uit de tijd dat u zelf op de basisschool zat.

In 2014 kreeg ik de vraag van de Koninklijke Nederlandse Gymnastiek Unie hoe we in Nederland betere gymsportaccommodaties konden krijgen. Sindsdien spreek ik, tegenwoordig als co-founder van de Beweegbox, dagelijks met diverse partijen die direct of indirect betrokken zijn bij de totstandkoming van gymzalen. Variërend van gymleraren tot wethouders en van adviseurs tot projectleiders. In deze gesprekken komen een aantal hardnekkige misverstanden over gymzalen naar voren.

Misverstand 1: Een gymzaal moet voldoen aan de KVLO-normering

De meest gehoorde misverstand is: we moeten voldoen aan de KVLO-normen. Vooropgesteld: de KVLO (Koninklijke Vereniging Lichamelijke Opvoeding) heeft enkele praktische en duidelijke richtlijnen opgesteld over de bouw en inrichting van sportzalen. Met deze richtlijnen beoogt de KVLO een minimale kwaliteit van gymzalen en haar inrichting te bereiken voor haar leden: de leerkrachten Lichamelijke Opvoeding.

So far, so good. De praktijk leert echter dat deze normering klakkeloos wordt overgenomen, zonder erbij stil te staan of deze normen wel het best passen bij de betreffende situatie. Of de gemeente bepaalt het beschikbare budget op basis van deze minimale norm. Dit leidt ertoe dat aan de voorkant van het proces bepaald is dat de leerkracht genoegen moet nemen met de minimale kwaliteit… Mag het ook anders? Ja natuurlijk! Zo schreef Remon Bahnerth als onderwijsadviseur van de KVLO al in de LO van 21 december 2012: “Neem niet klakkeloos de minimale zaalgrootte en ook niet de gehele basisinventarislijst over. Stel jezelf vooral de vraag: “Wat wil ik met en in de zaal?”

Daarom mijn oproep: als je als betrokkene echt niet weet wat je wilt, houdt dan vooral vast aan de KVLO-normen. Maar ben je bereid tijd en energie te steken in een nieuwe gymzaal (of wordt je als adviseur ingeschakeld) bedenk dan vooral kritisch of deze normen je geven wat je nodig hebt.

Misverstand 2: Een standaard gymzaal is gunstig in de exploitatie omdat deze ook voor wedstrijden van balsporten ingezet kan worden

We hebben met zijn allen de verantwoordelijkheid om gemeenschapsgeld zo goed mogelijk te besteden. Een multifunctioneel inzetbare gymzaal is daarbij ook vanzelfsprekend. Een veel gehoorde fabel is dat een standaard gymzaal (met een afmeting van 14 meter bij 24 meter, en een vrije hoogte van 5,5 meter) ook voldoet aan de wedstrijdeisen van balsporten. Er is één balsport die ik zo kan verzinnen waarbij een dergelijke zaal voldoet aan de eisen voor het spelen van wedstrijden: tafeltennis. Wanneer ook volleybal en badminton gefaciliteerd moeten worden is een hoogte van 7 meter nodig. En daarbij durf ik te beweren dat deze verenigingen hun wedstrijden liever in een sporthal spelen, zodat er meerdere wedstrijden tegelijk gespeeld kunnen worden en er vaak publieksvoorzieningen zijn als tribune en horeca. De sociale functie van de vereniging is namelijk niet gebaat bij een gymzaal.

Maar trainingen zouden toch prima kunnen? Absoluut! Wanneer het niveau het toelaat is een hoogte van 5,5 meter zeker genoeg voor trainingen volleybal en badminton. Sterker nog: ook zaalvoetballers, basketballers en handballers zouden genoegen kunnen nemen met deze afmetingen. Dit bewijst des te meer dat de afmetingen van een standaard gymzaal prima losgelaten kunnen worden zonder balsporten tekort te doen.

Misverstand 3: Een standaard gymzaal faciliteert de moderne methoden van beweegonderwijs

Of is het zo dat de moderne methoden van bewegingsonderwijs de standaard gymzaal faciliteert? Wellicht moest u deze zin twee keer lezen om te zien dat het hier een kip-ei discussie betreft. Bouwen we gymzalen van 14 meter bij 24 meter omdat de methoden hierom vragen? Of maken we methoden voor zalen van 14 meter bij 24 meter omdat de gymzaal nu eenmaal deze maten kent? Helaas is beiden waar. Voor mij ontstond deze eye-opener in gesprek met Wim van Gelder, één van Nederlands bekendste methoden schrijvers voor bewegingsonderwijs. Hij legde mij uit dat modern bewegingsonderwijs ervan uitgaat dat ieder kind op zijn eigen wijze en eigen tempo beweegt tijdens de lessen bewegingsonderwijs. Hiervoor is het wenselijk dat een leerkracht verschillende opstellingen kan uitzetten, het liefst vier. In de praktijk zien wij vaak drie opstellingen vanwege de rechthoekige vorm van de zaal en het ontbreken van de juiste afscheidingsmiddelen tussen de verschillende opstellingen. Want zo zijn onze gymzalen nu eenmaal…

Misverstand 4: De gymzaal is er voor iedereen in de wijk

Gemeenten investeren al snel één miljoen euro in een gymzaal. Gemeenschapsgeld dat goed besteed is als je het mij vraagt. Maar ook geld dat nog beter besteed zou kunnen worden. Een grote groep van de bewoners wordt namelijk helemaal niet bediend met gymzalen. Want zegt u eens eerlijk: wanneer heeft u voor het laatst in een gymzaal gesport?

De trends zijn er wel naar: toenemende behoefte aan gezonde levensstijl, opkomst van vormen van fitness zonder apparatuur (bootcamp, body weight) en een toenemende vraag naar low-budget-formules. Maar ondanks de grote dichtheid van gymzalen in Nederland kiezen 2,7 miljoen Nederlanders ervoor om lid te worden voor een sportschool om daar tegen commerciële tarieven te sporten (bron: Rabobank Cijfers & Trends). Waarom verkiezen wij (duurdere) commerciële sportscholen boven het sporten in de door ons zelf al betaalde gymzalen? Mijn persoonlijke mening is dat de traditionele gymzaal gewoon niet geschikt is om op aantrekkelijke wijze populaire sporten en beweegvormen aan te bieden. Zo ontbreekt veelal een goede geluidsinstallatie, om van de verlichting in een gymzaal nog maar te zwijgen…

Stel je nou eens voor…

Stel: we hebben een wijk met veel tieners en jonge gezinnen. En stel je dan eens voor dat we kritisch naar de normen kijken en bepaalde normen los laten. Dat we voor een vierdeling kiezen zodat kinderen intensiever bewegen tijdens de lessen bewegingsonderwijs. Dat we goede theatertechniek toepassen, zodat de buurtbewoners komen dansen, boksen, bootcampen en body weight lessen komen doen. Dat we niet de traditionele balsporten maar de urban sports, zoals 3×3 basketbal en freerunnen, centraal stellen. Zouden we dan voor deze wijk niet een veel betere gymzaal hebben gerealiseerd?

Auteur
Berry ten Pas is bedenker, co-founder en directeur van De Beweegbox. 

Comments 1

  1. Wat een goed en inspirerend artikel! Wat als er in gymzalen een soort inloop/beweeghoek gecreëerd wordt waarin kinderen vrij kunnen bewegen als blijkt in de lessen dat ze daar echt even 10 minuten behoefte aan hebben?? Of wat als gymzalen standaard peuter en kleutermateriaal hebben zodat er op woensdag- en zaterdagochtend peutergym gegeven kan worden. Dan komen jonge kinderen en ouders al eerder in contact met schoolgebouwen en hun gymzalen en leren kinderen al op jonge leeftijd dat bewegen vooral heel leuk is!!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *